Historiek

De oudste bekende documenten over onze beroepsvereniging dateren van 7 januari 1921, namelijk een aanpassing van de statuten of standregelenDaarin staat ondere andere te lezen dat de maatschappij, gesticht den 15 mei 1882 in een beroepsvereniging wordt herschapen en dat zij de benaming draagt van Beroepsverening der Limburgse Veeartsen. 

Een stukje geschiedenis van de Belgische diergeneeskunde vind je terug in volgende publicaties:

  • 125 jaar Beroepsvereniging der Limburgse Dierenartsen. Met dank aan Ludwig Hendrickx.
    Bij ons aan te vragen.
  • Van paardenmiddel tot paardendokter. Met oa dank aan Luc Devriese en Paul Desmet.
    Te bekomen via de stad Waregem

125 jaar Beroepsvereniging der Limburgse Dierenartsen.

 

Anno 2007 telt de beroepsvereniging der Limburgse dierenartsen 125 lentes, zo blijkt uit het oudste ons bekende document daarover, namelijk een aanpassing van de statuten of standregelen zoals ze gepubliceerd werden in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 7 januari 1921. Daarin staat onder andere te lezen dat de maatschappij, gesticht den 15 Mei 1882 in een beroepsvereeniging wordt herschapen en dat zij de benaming draagt van Beroepsvereeniging der Limburgse Veeartsen. Een stukje Belgische geschiedenis van de diergeneeskunde.

Samenvatting

 

In 1857 werden in West-Vlaanderen en Brabant de eerste provinciale dierenartsenverenigingen opgericht. Deze groepeerden slechts overheidsdierenartsen, en verdwenen weer snel, omdat men veelal de persoonlijke beroepsbelangen boven die van de beroepsgroep stelde. In die periode stonden een aantal hervormingen van het overheidsapparaat op stapel, en de overheidsdierenartsen zagen zich graag vast benoemd worden.

Uiteraard kon enig verzet vanwege de gewone practici niet op zich laten wachten. De niet-aangenomen dierenartsen verenigden zich voor het eerst te Brussel, om een verzoek aan de wetgever op te stellen tot gelijkberechtiging van alle dierenartsen. Als reactie dáárop verenigden de overheidsdierenartsen zich dan weer in negen provinciale verenigingen, om hun voorrechten veilig te stellen. Pas later zouden deze verenigingen ook praktijkdierenartsen opnemen en zich echt met het beroep in het algemeen gaan bezighouden. Daarom zien we dat heel wat provinciale verenigingen twee oprichtingsdata hebben.

De eerste Limburgse vereniging werd in 1865 te St.-Truiden opgericht. Waar zij zich mee bezighielden en wat er gebeurde tussen 1865 en 1882, oprichtingsdatum van de huidige Limburgse dierenartsenvereniging, is niet helemaal duidelijk. De vroegste ons bekende tekst over de vereniging is een aanpassing verschenen in het Staatsblad van 7 januari 1921 van reeds bestaande “standregelen” (statuten) waarin wordt gesteld dat “de maatschappij, gesticht den 15 Mei 1882, in een beroepsvereeniging wordt herschapen”.  Blijkbaar had deze “Beroepsvereeniging der Limburgse Veeartsen” haar zetel toen te Hasselt. Het doel was “de bestudeering, de bescherming en de ontwikkeling hunner beroepsintresten”. De vooruitgang van de wetenschap, de wettelijke rechten der dierenartsen, de collegialiteit en de minimale honoraria (die mee in het staatsblad gepubliceerd werden!) stonden hoog in het vaandel. Ten behoeve van de leden werd een wetenschappelijke bibliotheek en een instrumentarium aangelegd, waaruit leden boeken of minder courante instrumenten konden ontlenen.

Om lid te worden moest men een in België gediplomeerd dierenarts zijn en uitsluitend of voornamelijk zijn beroepsactiviteiten in Limburg uitoefenen. Men moest een borgsom van 200 frank betalen, een éénmalig inkomrecht van 3 tot 10 frank en een jaarlijkse bijdrage van 5 frank. Het bureel (bestuurraad) bestond uit een voorzitter, een ondervoorzitter, een “algemeenen schrijver-penningmeester”, een bijgevoegde schrijver-bibliothekaris en een provinciale afgevaardigde naar de Fédération médicale vétérinaire de Belgique (toenmalige nationale louter wetenschappelijke beroepsvereniging).

Dat de vergaderingen niet altijd even rimpelloos verliepen, blijkt uit de taakbeschrijving van de voorzitter; hij moest o.a. “de tucht in de vergaderingen bewaren”! Er werden zelfs afvaardigingen naar allerlei congressen gestuurd, die daar nota’s van maakten voor de vereniging en die voor hun vervoer recht hadden op een “reiskaart 2e keus” (treinkaartje), betaald door de vereniging. Er werden jaarlijks twee algemene vergaderingen gehouden, en wie daarop niet aanwezig kon zijn, moest de voorzitter op voorhand verwittigen op straf van 5 frank boete. De vereniging behandelde ook interne geschillen onder collega’s (de orde bestond immers nog niet), en dat vóór alle rechtspleging. In zo’n scheidsraad konden klager en beklaagde zich laten bijstaan door een ander lid (dus zonder advocaten!). Straffen die konden uitgesproken worden waren de vermaning, de berisping, de boete (tot 500 frank, geen klein bedrag in die tijd!) of de uitsluiting. Blijkbaar was de functie van de vereniging dus drieërlei: syndicaal, wetenschappelijk en als deontologische tuchtraad.

Het prestige van vele dierenartsenverenigingen ging er in de loop van de daarop volgende jaren steeds op achteruit. Enerzijds werden vele betrachtingen ten voordele van het beroep in wetten geconcretiseerd. Anderzijds daalde het aantal dierenartsen na de eerste wereldoorlog dramatisch, zodat er haast geen leden meer overschoten. De enkele dierenartsen deden het na verloop van tijd financieel erg goed zodat zij wellicht minder behoefte hadden aan een gemeenschappelijke bibliotheek en instrumentarium. De oprichting van de orde der dierenartsen ontnam aan de provinciale verenigingen de functie als tuchtraad.

Nochtans is de vereniging der Limburgse dierenartsen vandaag de dag weer meer dan springlevend, zij het dan wel eerder op wetenschappelijk en sociaal gebied, maar ook soms op syndicaal vlak.

De eerste in België gediplomeerde dierenartsen

Dat in vroegere tijden de veeartsenij zich bijna uitsluitend beperkte tot vooral het paard, zeer belangrijk als transportmiddel, en rundvee, bron van trekkracht, landbemesting, melk en vlees, hoeft geen verwondering te wekken. Totdat er gestructureerd diergeneeskundig onderwijs georganiseerd werd, gebeurde deze veeartsenij door uiteraard niet als dierenarts gediplomeerde helers, voornamelijk hoefsmeden, maar ook anderen. Als een logisch gevolg van de Verlichting kwam er al in de 18e eeuw vraag naar diergeneeskundig onderwijs. De school van Maisons Alfort nabij Parijs werd in 1766 gesticht door de paardenarts Claude Bourgelat, waar men na een succesvolle studie van vier jaar het diploma van vétérinaire-artiste kreeg. De eerste gediplomeerde dierenartsen in onze contreien hadden dan ook veelal te Parijs gestudeerd.

Een eerste poging tot diergeneeskundig onderwijs op ons grondgebied werd gedaan in het prinsbisdom Luik in 1773. De adellijke grondheer Pathieu François Dutz, die zelf te Alfort gestudeerd had, werkte een heel studieprogramma uit, en stelde zich bereid een dergelijke veeartsenijschool te leiden. Het geld moest wel komen van de overheden. We weten dat de toenmalige Staten zeer geïnteresseerd waren, maar verder niets. Is deze school er gekomen? Hoelang heeft zij stand gehouden?

Onder het Oostenrijks bewind ontstond de veeartsenijschool van Wenen (1777). Voor de Nederlanden was eveneens diergeneeskundig onderwijs gepland, niet toevallig na enkele zware runderpestepidemieën. Ook de politieke troebelen waarbij tijdens veldslagen paarden een grote rol speelden, droegen bij tot de diergeneeskundige behoeften. Zo besliste keizer Jozef II in 1786 tot de oprichting van een veeartsenijschool te Brussel. Helaas, de rigoureuze omvormingen van bestuur en onderwijs zorgde in 1787 voor de kleine Brabantse Omwenteling, een soort anti-keizerlijke revolutie in onze gebieden, waardoor de geplande school er uiteindelijk toch niet kwam. De Franse revolutie (in 1789) en de daaruit voortvloeiende expansiedrang van Frankrijk, o.a. naar onze contreien vanaf de negentiger jaren van de 18e eeuw deden de plannen voor een Brusselse veeartsenijschool helemaal in de vergeethoek belanden. Pas nadat de staat België opgericht werd, zou het plan voor een veeartsenijschool in ons land vaste vorm krijgen. De eerste Belgische veeartsenijschool te Kuregem ging van start in 1835.

In 1831 waren er een vijftigtal dierenartsen in België. Tien jaar later waren dat er al 243, zo stond voor het eerst te lezen in het Journal vétérinaire et agricole de Belgique in 1842; 67 in Henegouwen, 43 in Brabant, 29 in Luik, 26 in Namen, 22 in Oost-Vlaanderen, 18 in Antwerpen, 15 in West-Vlaanderen, 7 in Luxemburg en 15 in Limburg.

Empiristen versus gediplomeerde dierenartsen

Het eerste probleem waar de nieuwe dierenartsen mee te maken kregen was de afschaffing van het tot dan toe wijdverspreide empirisme en het voorbehouden van diergeneeskunde aan aldus gediplomeerde veeartsen. Empiristen waren zelfverklaarde helers, dikwijls hoefsmeden of castrators, maar ook soms veehandelaren, apothekers of zelfs humane artsen, die meestal van vader op zoon een zekere veterinaire kennis hadden opgebouwd. Het volstond om een patent van enkele franken te kopen om volledig legaal de diergeneeskunde te bedrijven. Een eerste wetsvoorstel ter afschaffing van het empirisme werd ingediend in 1836, maar werd uiteindelijk niet gestemd omdat er te weinig dierenartsen waren om aan de grote vraag tot diergeneeskundige zorgen te voldoen. In 1842 waren er immers een 1500-tal empiristen tegenover een dikke 200 gediplomeerde dierenartsen! In de praktijk werden de “gewone gevallen” dan ook meestal behandeld door goedkopere helers, terwijl de veelal duurdere dierenarts slechts geraadpleegd werd voor de moeilijkere zaken, en dan nog dikwijls als het eigenlijk al te laat was. Daarenboven werden allerlei diploma’s en certificaten erkend, zowel buitenlandse als binnenlandse, dikwijls uitgereikt door staatsdierenartsen of établissements vétérinaires onder wier toezicht herders, slagers en hoefsmeden opgeleid waren in de kunst van het dieren helen. Eerlijkheidshalve moet gezegd worden dat sommige empiristen zeer bedreven waren in het vak, en in theoretische maar vooral praktische kennis zeker niet moesten onderdoen voor de gediplomeerde dierenartsen, of ze nu van Alfort (Frankrijk) of van Kuregem (België) kwamen.

Op weg naar een éénvormige en wettelijk erkende diergeneeskunde

Een tweede probleem was de uniformisering van de voorwaarden waaraan een dierenarts en de diergeneeskundige zorgen moesten voldoen. Op het ogenblik dat de Belgische onafhankelijkheid uitgeroepen werd, waren er wel al staats-dierenartsen, een functie die in het leven werd geroepen onder Hollands bewind vanaf 1817, maar die evenmin een uniform diploma vereiste. Dezen waren veelal belast met de verzorging van de paarden van politie, rijkswacht, leger en de koninklijke wacht, de beslissing over al dan niet koopvernietigende aandoeningen bij verhandelde dieren en de diergezondheidspolitie in het algemeen. De voorwaarden waaraan men moest voldoen om voor zo’n betrekking in aanmerking te komen verschilden erg van het ene korps tot het andere. Uiteraard eisten de eerste gediplomeerde dierenartsen dat zij evengoed voor zo’n staatsaanstelling in aanmerking zouden komen. Staatsdierenartsen kregen immers een vast loon en een pensioen. Een aantal staatsdierenartsen bedienden tevens een uitgebreid cliënteel, dat zij natuurlijk wilden bechermen tegen de gediplomeerde nieuwkomers. Een goeie illustratie van het gebrek aan eenvormigheid bij officiële diergeneeskundige beslissingen zien we in de veertiger jaren van de 19e eeuw bij het voorbereiden van het wetsvoorstel door professor Verheyen  i.v.m. koopvernietigende gebreken. Tot dan toe werd koopvernietiging uitgesproken op basis van lokale traditie en een soort jurisprudentie, maar daardoor dikwijls toch erg verschillend al naargelang waar het vonnis uitgesproken werd. Zo vond men in Zaventem dat la folie, la corruption à l’ intérieur en les affections de la membrane wel voor koopvernietiging in aanmerking kwamen. In Kortrijk hechtte men dan weer meer belang aan inwendige pokken, lepra (?) en de epizoötie (eender welke besmettelijke ziekte?). In Bree kwamen vooral droes en pokken in aanmerking. Veel van deze soms streekgebonden en zelf-uitgevonden namen voor bepaalde ziektebeelden kwamen dikwijls niet overeen met één bepaalde pathologie, maar gaven aanleiding tot persoonlijke interpretaties, die van geval tot geval, en zelfs van dag tot dag konden verschillen. Eén en ander leidde uiteraard dikwijls tot hevige discussies en verzet tegen de beslissing (van de staatsdierenarts).

De problemen van het empirisme en het monopolie van de staatsdierenartsen, dikwijls zonder diploma van Kuregem, leidden ertoe dat er beroepsverenigingen van gediplomeerde dierenartsen in het leven geroepen werden. De allereerste was de Société de Médecine Vétérinaire Belge in 1844, waarin 26 dierenartsen zich verenigden. Deze maatschappij stelde zich tot doel de rechten en beroepsbelangen van de dierenartsen te behartigen. Haar eerste actie was – uiteraard – het indienen van een wetsvoorstel over de uitoefening van de diergeneeskunde. De toenmalige wetgever voelde hier niks voor en de wet bleef ongestemd. De maatschappij verloor snel haar enthousiasme en was tegen 1848 reeds uitgeboerd. Nochtans bleven haar inspanningen niet geheel vruchteloos want in 1850 verscheen een eerste wet over de koopvernietigende gebreken en een wet over de uitoefening van de diergeneeskunde. Deze laatste reserveerde het recht om de diergeneeskunde te mogen uitoefenen aan gediplomeerde dierenartsen, maar omdat er te weinig waren liet men een overgangsperiode toe van 2 jaar waarin ook empiristen via een soort staatsexamen hun kunde konden bewijzen en aldus eveneens als dierenarts aan de slag mochten blijven als maréchal-vétérinaire of hoefsmid-veearts. Ongeveer 300 dergelijke diploma’s werden kort na 1850 uitgereikt! In 1880 bleven er nog een hondertal hoefsmid-dierenartsen over, in 1900 nog een twintig en na 1914-18 geen meer. Nochtans zou pas in 1949 de titel maréchal-vétérinaire afgeschaft worden, en dat vooral omdat sommige hoefsmeden (maréchal-ferrant) wel eens misbruik durfden maken van de gelijkenis met de oude term van hoefsmid-dierenarts (maréchal-vétérinaire).

De verschillende namen voor dierenarts die in onze contreien worden gehanteerd: artiest, meester, veterinair, zijn overblijfselen uit dit woelige verleden. Wie de kunst van

het helen of  l’ art de guérir beheerste, werd bestempeld als artiste of artiest. Dit kon uiteraard slaan op eender wie die in de ogen van het volk zijn vak verstond. Meester was degene die in het ambacht blijk had gegeven van zijn meesterschap; het is een term ontleend aan de in de middeleeuwen ontstane gilden (eerder religieus-maatschappelijk) en ambachten (professioneel-kwaliteitscontrole). De eerste Franse revolutie van 1789 schafte deze ambachten af omdat ze geacht werden het resultaat te zijn van het ancien régime, en de vrije ontwikkeling van het individu in de weg zouden staan (vergelijk met de huidige mercantilistische Europese richtlijnen i.v.m. de vrije mededinging die prijsafspraken onder collega”s verbiedt!). Eigenaardig is wel dat op hoger onderwijsniveau in Europa, of althans in sommige landen of regio’s van de Europese Unie, recent allerlei graden werden vervangen door bachelor (gezel) en master (meester). Specifiek voor dierenartsen stamt de term meester wellicht uit de 17e eeuw waar ze gebruikt werd voor de humane chirurgijns (waar de universitair geschoolde artsen een beetje op neerkeken). Men sprak toen soms ook van paardenmeesters en koeienmeesters, die tot de tweede helft van de 18e eeuw uiteraard nooit gediplomeerde dierenartsen waren, maar hoefsmeden of andere lui die blijkbaar nog wat meer in hun mars hadden. Thans worden advocaten, notarissen en lagere schoolonderwijzers nog steeds met meester aangesproken. De term veterinair is zeker overgenomen uit het Frans, tot omzeggens 1930 dé taal van wetenschap, onderwijs en bestuur in België. Wellicht is het een vereenvoudiging van vétérinaire-artiste, médecin-vétérinaire of zelfs maréchal-vétérinaire. De term dierenarts stamt af van het Duitse Tierarzt en kwam via Nederland in onze gebieden terecht.

Dierenartsen verenig u!

Eind november 1852 stichtten enkele praktijkdierenartsen een vereniging met louter wetenschappelijk karakter: de Cercle de Médecine vétérinaire de Belgique. Begin 1853 ging deze vereniging op in de op dat ogenblik stilliggende Société de Médecine Vétérinaire Belge, die aldus heropleefde. Pas in 1920 zou er nog een andere wetenschappelijke vereniging opgericht worden: de Société belge des Sciences vétérinaires. Deze ging alweer teloor in 1928, en sindsdien is er in België geen enkele puur wetenschappelijk-diergeneeskundige vereniging, de aan de faculteiten en syndicaten verbonden verenigingen en werkgroepen even buiten beschouwing gelaten.

In 1857 werden in West-Vlaanderen en Brabant de eerste provinciale verenigingen opgericht. Deze verenigingen groepeerden slechts overheidsdierenartsen, en verdwenen weer snel, omdat men veelal de persoonlijke beroepsbelangen boven die van de beroepsgroep stelde. In die periode stonden namelijk een aantal hervormingen van het overheidsapparaat op stapel, en de overheidsdierenartsen zagen zich graag vastbenoemd worden.

Uiteraard kon enig verzet vanuit het praktijkkorps niet op zich laten wachten. Zo schreef in 1858 Jean-Baptiste Dessart een mooie verhandeling met als titel: Dissertation sur l’ Institution des Médecins vétérinaires du Gouvernement; la Science, Fille du Progrès, est l’ Ennemie des Privilèges et des Hiérarchies, pas de Castes chez Elle! De niet-aangenomen dierenartsen verenigden zich voor het eerst te Brussel, om een verzoek aan de wetgever op te stellen tot gelijkberechtiging van alle dierenartsen. Als reactie dáárop verenigden de overheidsdierenartsen zich dan weer in negen provinciale verenigingen, om hun voorrechten veilig te stellen. Pas later zouden deze verenigingen ook praktijkdierenartsen opnemen en zich echt met het beroep in het algemeen gaan bezighouden. Daarom zien we dat heel wat provinciale verenigingen twee oprichtingsdata hebben. West-Vlaanderen (1857 en 1863), Brabant (1857 en 1865), Luik (1863 en 1864), Oost-Vlaanderen (1863 en 1865), Henegouwen (1863, 1866 en 1867), Luxemburg (1865), Antwerpen (1865), Limburg (1865), Namen (1865 en 1876).

De opvolger van de genoemde Société médicale vétérinaire de Belgique (1844-1848) was de Association médicale vétérinaire de Belgique (1864) die al snel herdoopt werd in Fédération médicale vétérinaire de Belgique (1865) met een soort vertegenwoodiging uit de negen provincies die later zou uitgroeien tot de Union vétérinaire Belge. Het ging hier om een niet-wetenschappelijke vereniging die zich uitsluitend inzette voor de professionele belangen van dierenartsen. Tevens werd een diergeneeskundig tijdschrift opgericht: de Annales de Médecine vétérinaire. De oprichting of behoud van provinciale vergaderingen werd aangemoedigd. Eén der eerste acties was het behoud van het recht om medicijnen af te leveren (!); de Fédération médicale stelde dat recht immers serieus in vraag. Ook het empirisme werd aangepakt. Er werd geijverd de diergeneeskundige opleiding naar een hoger universitair niveau te verheffen in het kader van één enkele grote geneeskundige school.

Zowel de nationale als provinciale verenigingen boerden steeds beter tot 1890, het jaar waarin een aantal wetten de positie van de dierenarts verbeterden en bevestigden. Daarna ging men wat op zijn lauweren rusten. Tegen 1900 was de Fédération haar slagkracht geheel verloren. Na de eerste wereldoorlog ontstond in tal van verenigingen een breuk tussen de syndicalisten en niet-syndicalisten. Zo werd er naast de bestaande Fédération ook een Fédération syndicale vétérinaire de Belgique opgericht. Sommige provinciale verenigingen negen eerder tot het syndicale, andere eerder tot het niet-syndicale en nog andere bestonden nog slechts op papier. In dergelijke provincies ontstonden dan dikwijls wel regionale of zelfs gemeentelijke verenigingen. Vanaf 1924 besloten de twee Fédérations veterinair België toch weer te herenigen en in 1929 werd de Union (professionelle) vétérinaire belge opgericht. Deze zou later toch weer uiteenvallen en aanleiding geven tot een Franstalige (UPV, Union Professionelle Vétérinaire) en een Nederlandstalige (VDV, Vlaamse Dierenartsenvereniging) – toch weer eerder syndicale – verenigingen. De niet door alle dierenartsen even gesmaakte wetgevingen over diergeneesmiddelen en bedrijfsbegeleiding uit 2000, riepen daarenboven de IVDB (Intérêts Vétérinaires – Dierenartsenbelangen) in het leven. Sinds 2006 heeft zich van de voornamelijk gezelschapsdierenartsen-minded VDV, de VNP (Vereniging der Nutsdierenpractici) losgemaakt onder de naam DVK (Dierenartsen in de Voedselketen) Vlaanderen. Zo telt België thans 4 syndicale verenigingen!

Ten tijde van de oprichting van allerlei verenigingen waren de professionele en financiële toestand van gediplomeerde dierenartsen niet rooskleurig. Slechts de dierenarts-onderwijzers en -militairen werden betaald als funcionarissen. Vleeskeuring en georganiseerde kunstmatige inseminatie bestonden nog niet. Leidinggevende staatsfuncties op medisch, landbouwkundig en/of veterinair vlak waren meestal weggelegd  voor hoge functionarissen die volledig vreemd waren aan het beroep (geneesheren, apothekers…). Te lande gaven vele dierenartsen hun beroep al snel op of ze combineerden het met een ander (meer rendabel?) zoals teler, handelaar, ijzerverkoper, distilleerder, brouwer, bankier…

Betere tijden

Vanaf eind 19e eeuw leefde de diergeneeskunde op, vooral dankzij de ontdekkingen van Louis Pasteur en de ontwikkeling van de bacteriologie. Ook de reputatie van de diergeneeskundige school te Kuregem nam plots een hoge vlucht, vanaf 1882 zelfs buiten de landsgrenzen. Zo zocht de Ottomaanse regering (huidig Turkije) de Belgische dierenarts Jules Dezuttere aan om aan de keizerlijke geneeskundige school te Istanboel een volledige cursus diergeneeskunde te geven, zowel theorie als praktijk. In 1883 stichtte de Belg Charles Tombeur de eerste diergeneeskundige school in Zuid-Amerika, nl. te Argentinië. Argentinië, Chili en Brazilië zochten Belgen aan om hun diergeneeskundige medische diensten te leiden. Ook Peru en Colombia vroegen herhaaldelijk achter Belgische dierenartsen, zonder resultaat! In feite trokken zeer weinig Belgische dierenartsen naar het buitenland, maar in het interbellum telde Kuregem heel wat buitenlandse studenten, die vooral naar het zuidoosten van Europa en Zuid-Amerika de naam en faam van Kuregem uitdroegen. Eugène Meuleman was de eerste Belgische dierenarts in Congo. Hij verbleef er drie jaar en schreef daarna lange artikels over bodem, klimaat, ziekten en rassen in Centraal-Afrika. Hij zou ook de eerste diergeneeskundige worden aan het pas opgerichte Ecole de Médecine tropicale (nu Instituut voor tropische Geneeskunde). Hij zou in Congo opgevolgd worden door enkele militaire dierenartsen en na de eerste wereldoorlog door burgerlijke, maar een echte toevloed van Belgische dierenartsen naar Centraal-Afrika is er nooit gekomen. Om de diergeneeskundige diensten in Congo te bemannen was men aangewezen op buitenlandse (lees niet-Belgische) dierenartsen, dikwijls wel in Kuregem geschoold. Toen de Congolese/Zaïrese onafhankelijkheid tot stand kwam (1960) beschikte men er over een zeer goed georgansiseerd diergeneeskundig apparaat.

Wereldoorlogen, KI en keuring

Na de eerste wereldoorlog waarin tal van dierenartsen gedeporteerd, gevlucht of gesneuveld waren, was er een absoluut tekort aan Belgische dierenartsen. Wederzijdse erkenning van de diergeneeskundige diploma’s behaald te Kuregem en Alfort, poogde daaraan te verhelpen. Na de tweede wereldoorlog kwamen een aantal nieuwe beroepsmogelijkheden binnen het bereik van dierenartsen, o.a. de kunstmatige inseminatie. Provinciale inseminatiecentra werden opgericht. KI-ers moesten aanvankelijk gediplomeerde dierenartsen zijn. In het begin werd de KI bedreven door zelfstandige praktijkdierenartsen, maar stilaan zou het voorbehouden worden aan voltijdse KI-dierenartsen. Alhoewel reeds vroeger al enige keuring van dierlijke voedselwaren gebeurde, werd de centrale organisatie ervan pas na de tweede wereldoorlog een feit. De Inspectie van de Vleeshandel werd opgericht in 1948. Later volgde het Instituut voor Veterinaire keuring, en nog later het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, waar thans nog heel wat dierenartsen als ambtenaar of dierenarts met opdracht al dan niet belangrijke inkomsten verwerven uit het veterinair keuringswerk.

Veeartsenijschool en faculteit Diergeneeskunde te Gent.

De meeste Vlaamse dierenartsen die thans werkzaam zijn, studeerden wellicht af aan de Gentse universiteit. Het is nochtans pas vanaf 1933 dat na heel wat politieke disputen de veeartsenijschool in Gent van start ging. De eerste lichting nederlandstalig geschoolde veeartsen studeerde af in 1937. Aanvankelijk waren de lokalen van deze school verspreid over de stad. Later werd het monumentale Casino aan de Coupure, in 1835 ontworpen door Roelant, dat na de bouw van een nieuw casino in 1913 op de terreinen van de Gentse Wereldtentoonstelling, geen nieuwe bestemming had gevonden, toegewezen aan o.m. de veeartsenijschool. Nieuwe gebouwen werden opgericht tussen 1938 en 1968. Ze waren voorzien voor een dertigtal studenten per jaar! Het oude casino zelf werd afgebroken tussen 1944 en 1957. Thans herinnert aan dit casino nog slechts de naam Casinoplein, lange tijd haast synoniem met de diergeneeskundige faculteit te Gent. Aanvankelijk behoorde de veeartsenijschool tot de faculteit geneeskunde, maar in 1968 werd een afzonderlijke faculteit Diergeneeskunde opgericht. Meteen al werden plannen gemaakt voor een nieuwe diergeneeskundige campus buiten de stad. De keuze viel op een terrein te Merelbeke. Dit groots opgezette bouwproject strandde o.a. op de eis van de gemeente Merelbeke tot een waterzuiveringsinstallatie, waarvoor op dat ogenblik geen geld was. Een eerste bouwfase in 1974-1978 leverde enkel de zogenaamde ‘hoogbouw’ op die vele jaren leeg bleef staan. De werken bleven haast 20 jaar stilliggen tot de Vlaamse Overheid zich in 1991 als nieuwe bouwheer opwierp. In 1996 volgde dan de verhuis van de Coupure en het Casinoplein te Gent naar de nieuwe campus te Merelbeke. Waar de eerste lichting “Gentse” dierenartsen (1937) slechts 12 veeartsen telde, studeren er nu jaarlijks ongeveer 200 af.

De Orde der Dierenartsen

De oprichting van een Orde der Dierenartsen is, net zoals dat van de diergeneeskundige verenigingen, niet geheel probleemloos verlopen. De eerste plannen daartoe dateren wellicht al van 1886. Daar waar de verenigingen vooral het beroep trachtten te beschermen tegen aanvallen van buitenaf, voelde men wel aan dat ook binnen het beroep sommige elementen zo nu en dan tot de orde geroepen dienden te worden, kwestie van de beroepsgroep te beschermen tegen kwakzalverij, al te erge commercie en ander voor een dierenarts onwaardig gedrag. Er was dus nood aan een organisatie die zowel preventief als repressief kon optreden ter bewaking van een diergeneeskundige deontologie. Daarenboven moest deze organisatie door alle dierenartsen erkend worden en wettelijk gezag uitoefenen. Aan de provinciale verengingen werd gevraagd hierover eens na te denken. Reeds voor de tweede wereldoorlog werd een wetsvoorstel daarover ingediend, geïnspireerd door de de werking van de orde der geneesheren, evenwel zonder praktisch resultaat. Na de oorlog zouden nog herhaalde pogingen ondernomen worden vooraleer pas eind 1950 de wet gestemd werd ter oprichting van de Orde der Dierenartsen, bestaande uit twee regionale raden (die waken over de deontologie) en een nationale hoge raad (een soort beroepshof).

Vrouwen in de diergeneeskunde

Alhoewel geen enkele wetgeving dames uitsloot van een opleiding als dierenarts, werden vrouwen aanvankelijk uit de opleiding geweerd. Zo boden zich in 1883 drie dames aan om toegelaten te worden tot de Kuregemse school. Helaas, zij werden niet aangenomen. Wellicht was het feit dat de school een uitsluitend mannelijk internaat was, en het logies van vrouwelijke studenten ernstige praktische problemen zou (kunnen) opleveren, daaraan niet vreemd. Pas na de tweede wereldoorlog zouden vrouwelijke dierenartsen stilaan hun plaats verwerven in het diergeneeskundig korps. Vandaag tellen beide diergeneeskundige faculteiten veel meer vrouwelijke (80% of meer) dan mannelijke studenten, net zoals in de humane geneeskunde.

Daar waar gediplomeerde vrouwelijke dierenartsen aanvankelijk schaars of onbestaande waren, mogen we toch niet vergeten dat sinds jaar en dag vele mannelijke collega’s steeds konden rekenen op de werkwilligheid van hun echtgenotes, hetzij voor het secretariaatswerk, hetzij als volwaardige assistente in de praktijk, en zeker ook als coach in moeilijke momenten. Zonder hen zouden veel dierenartspraktijken nooit geraakt zijn waar ze de dag van vandaag staan!

De Beroepsvereniging der Limburgse Dierenartsen

 

Uit het voorgaande blijkt dat een eerste Limburgse vereniging reeds werd opgericht in 1865 te St.-Truiden. Het eerste bureel (soort kernbestuur) bestond uit de heren Maris (voorzitter), Mommen (ondervoorzitter), Vaes (secretaris), Polus en Foelen.

Waar zij zich mee bezighielden en wat er tussen 1865 en 1882 allemaal gebeurde, is niet helemaal duidelijk. De vroegste ons bekende tekst over de vereniging is de hierboven aangehaalde aanpassing in het Staatsblad van 7 januari 1921 van reeds bestaande standregelen (statuten) waarin wordt gesteld dat de maatschappij, gesticht den 15 Mei 1882, in een beroepsvereeniging wordt herschapen.  Blijkbaar had deze Beroepsvereeniging der Limburgse Veeartsen haar zetel te Hasselt. Het doel was de bestudeering, de bescherming en de ontwikkeling hunner beroepsintresten. De vooruitgang van de wetenschap, de wettelijke rechten der dierenartsen, de collegialiteit en de minimale honoraria (die mee in het staatsblad gepubliceerd werden!) stonden hoog in het vaandel. Ten behoeve van de leden werd een wetenschappelijke bibliotheek en een instrumentarium aangelegd, waaruit leden boeken of minder courante instrumenten konden ontlenen.

Om lid te worden moest men een in België gediplomeerd dierenarts zijn en uitsluitend of voornamelijk zijn beroepsactiviteiten in Limburg uitoefenen. Men moest een borgsom van 200 frank betalen, een éénmalig inkomrecht van 3 tot 10 frank en een jaarlijkse bijdrage van 5 frank. Het bureel (bestuurraad) bestond uit een voorzitter, een ondervoorzitter, een algemeenen schrijver-penningmeester, een bijgevoegde schrijver-bibliothekaris en een provinciale afgevaardigde naar de Fédération médicale vétérinaire de Belgique (toenmalige nationale louter wetenschappelijke beroepsvereniging). Dat de vergaderingen niet altijd even rimpelloos verliepen blijkt uit de taakbeschrijving van de voorzitter; hij moest o.a. de tucht in de vergaderingen bewaren! Er werden zelfs afvaardigingen naar allerlei congressen gestuurd, die daar nota’s van maakten voor de vereniging en die voor hun vervoer recht hadden op een reiskaart 2e keus (treinkaartje), betaald door de vereniging. Er werden jaarlijks twee algemene vergaderingen gehouden, en wie daarop niet aanwezig kon zijn, moest de voorzitter op voorhand verwittigen op straf van 5 frank boete. De vereniging behandelde ook interne geschillen onder collega’s (de orde bestond immers nog niet), en dat voor alle rechtspleging. In zo’n scheidsraad konden klager en beklaagde zich laten bijstaan door een ander lid (dus zonder advocaten!). Straffen die konden uitgesproken worden waren de vermaning, de berisping, de boete (tot 500 frank, geen klein bedrag in die tijd, want omgerekend meer dan 2000 euro) of de uitsluiting. Blijkbaar was de functie van de vereniging dus drieërlei: syndicaal, wetenschappelijk en als deontologische tuchtraad.

Zoals hoger beschreven ging het prestige van vele verenigingen er in de loop der jaren steeds op achteruit. Enerzijds werden vele betrachtingen ten voordele van het beroep in wetten geconcretiseerd. Anderzijds daalde het aantal dierenartsen na de eerste wereldoorlog dramatisch, zodat er haast geen leden meer overschoten. De enkele dierenartsen deden het na verloop van tijd financieel erg goed zodat zij wellicht minder behoefte hadden aan een gemeenschappelijke bibliotheek en instrumentarium. De oprichting van de orde der dierenartsen ontnam aan de provinciale verenigingen de functie als tuchtraad.

Nochtans is onze vereniging vandaag de dag weer meer dan springlevend, zij het dan wel eerder op wetenschappelijk en sociaal gebied, maar ook soms op syndicaal vlak. Zo richten wij allerlei interessante lessen en lessenreeksen in, en werken we samen met het PUO zodat een aantal van deze lessen dichter bij huis gevolgd kan worden. Sinds jaar en dag trachten wij de collega’s ook dichter bij elkaar te brengen, tijdens de borrel na de lessen, maar vooral tijdens onze nieuwjaarsrecepties, waarop ook partners en kinderen welkom zijn, en die een alsmaar groter succes blijken. Courante problemen met en door locale overheden worden zo mogelijk aangepakt. Dat alles wordt gerealiseerd dankzij de lidgelden van de leden, de occasionele lesgelden en sponsoring door farmaceutische firma’s. Maar zeker ook de onbetaalde en belangeloze inzet van het bestuur, en – misschien wel allerbelangrijkst – de interesse en engagement van de leden, mogen we niet vergeten!

Met speciale dank aan Dr. Devriese Luc voor zijn bereidwillige medewerking aan deze tekst, het Vlaams Diergeneeskundig Tijdschrift waaruit veel interessant materiaal werd geput, en Dr. Hilde Schepens voor de mooie tekeningen voor de cover en elders in dit boekje.

 

Voor de Limburgse Dierenartsenvereniging,

Kuringen, 21/11/2007

Dr. Ludwig Hendrickx